Hand op mijn hart

DigiGigi

Hij kijkt me aan vanaf een vel papier. De echte foto’s komen later deze week en nu stel ik me tevreden met een afdruk uit de kleurenprinter. Toen ik de foto’s maakte, een paar dagen voor zijn vertrek naar Thailand, grapte hij nog dat ik hem niet in een lijstje moest doen omdat er nu eenmaal niets boven de echte Das gaat. “Lijstjes, daar wacht je maar mee tot ik dood ben, schatje.”

Ik voel me schuldig. Ik weet dat het onzin is, en dat ik niets had kunnen doen om dit bizarre ongeluk te voorkomen maar toch spoken er nu zoveel verschillende vormen van �och had ik maar� door mijn hoofd. Vanaf de eerste keer dat hij me vertelde van zijn voorgenomen vakantie naar Thailand, kroop er een onbehagelijke rilling door me heen en dat is telkens wanneer die vakantie ter sprake kwam, zo gebleven. Maar ik heb dat weggeredeneerd.

Ik houd me voor, dat bijna iedereen dat zou doen. Er was immers niets feitelijks, alleen maar mijn instinct dat zich roerde en er waren zoveel meer, veel gewonere redenen dat ik me onprettig voelde bij het idee van die vakantie. Het is nooit leuk om iemand waar je van houdt en die je nog maar kort kent, voor bijna een maand uit je leven te laten gaan.

Wanneer ik nu terugkijk, dan herinner ik me gesprekken en voorvallen, die in het licht van zijn plotselinge dood, ineens een hele andere lading krijgen. Zoals de ochtend dat hij tegen de railing voor zijn openslaande deuren leunde en tegen me zei: �Stel dat die leuning nu breekt, dan lig ik beneden en ben ik dood.� Of zijn grapje van wat later: �Zeg schatje, misschien moeten we nog even naar de woningbouw om je bij me in te schrijven. Als ik dan niet terugkom uit Thailand, dan kun je tenminste nog wel in het Robijntjesbed slapen.� En daarop begon hij te bulderen van het lachen, sloeg zijn armen om me heen en danste met me door de kamer.

Zoals hij kon bruisen van energie en levenslust, zo moe en verslagen was hij soms ook. Dan nestelde hij zich in mijn armen met zijn hoofd tegen mijn borsten, en zo kon hij uren blijven liggen. Ik streelde zijn rug, schouders en hoofd, en dan kon hij wel tien keer of vaker in een uur zeggen hoe heerlijk hij het vond om door mij aangeraakt te worden en vroeg hij even zo vaak: �Wat hebben we het toch heerlijk samen eh, schatje?�. Soms zei hij het zo veelvuldig dat ik een spoortje irritatie bij mezelf proefde en ik het lastig vond om zijn enthousiasme en vreugde met een gelijkwaardig antwoord te belonen. Ik vond het heerlijk met hem, en toch kostte het me nu en dan moeite om hem dat te laten weten. Dat doet nu pijn. Ik wens me nu dat ik hem had verteld dat ik van hem houd. Ik weet dat hij het wist, maar die vier woordjes zijn nu het te laat is, van levensbelang, oh ironie.

Op de foto lacht hij breed naar me. De pukkel op zijn voorhoofd die hij verguisde, is duidelijk zichtbaar. Het is een close-up en zijn prachtige bruine ogen komen er goed op uit. Ogen die zoveel warmte uitstraalden en die altijd met zijn mond mee lachten. Hij kon ook narrig zijn en hij kon heel snel boos worden. Zo belde hij me eens en vertelde dat hij zich niet zo lekker voelde. Hij zou via een vriend allemaal vitaminepreparaten kopen, en toen ik vroeg wat voor soort pillen dat dan waren en of hij wel zeker wist dat het betrouwbaar spul was, toen werd hij woest. Ik hoefde hem niet te betuttelen, vond hij en vervolgens kondigde hij aan dat hij op zou gaan hangen en deed dat ook prompt, mij verbijsterd achterlatend met een pieptoon in mijn oor.

Ik belde hem terug en bood mijn verontschuldigingen aan voor mijn �gebetuttel� maar er was geen land met hem te bezeilen en hij begon van voren af aan te tieren en te razen, om daarna weer op te hangen. Om vijf minuten later weer te bellen en nog eens overnieuw te beginnen. Daarop kreeg ik een SMS-je. Nog een telefoontje. Nog een SMS-je. Weer een telefoontje. Alles pal op elkaar, en telkens verbrak hij de verbinding. Net zo lang tot ik aan de telefoon de slappe lach kreeg en niet meer kon stoppen met lachen. Toen werd hij pas echt woest en vlogen de SMS-jes met verwijten om mijn oren. En terwijl ik onmachtig van het lachen in een stoel lag, begreep ik dat ik van hem hield.

 

Even plotseling als zijn woede opkwam, verdween die ook weer en in het volgende telefoontje was ik weer schatje en liefje en wist hij me te overreden om op mijn fiets te springen en zo snel ik kon naar hem toe te komen zodat we het tenminste gedegen goed konden maken. �Want wij vechten het lekkerste in bed, schatje�, schaterde hij. Vanaf dat moment dateert ook de afspraak, dat we bij ruzie op afstand onmiddellijk naar elkaar toe gaan om het goed te maken. Maar we hebben er nooit meer gebruik van hoeven maken. En nu kan dat niet meer.

De tijd van allerlei eerste keren is nu aangebroken. Vanochtend op de fiets door het Vondelpark, manmoedig toch maar naar kantoor. Een cirkel van bomen in het vroege licht met daaronder allemaal kleine rode blaadjes herinnerde me aan Marcel en hoe hij me eens op mijn werk belde, om me te vertellen dat hij lekker met zijn rug tegen een boom een boek ging zitten lezen terwijl ik zwoegen moest. Er zullen nog ontelbaar veel momenten zijn, waar ik voor het eerst iets doe na zijn dood. Ik zie nu al op tegen het ogenblik waarop ik genoeg moed heb verzameld om weer naar het caf� te gaan waar we elkaar het eerst ontmoetten. Om langs de straat te komen waar hij woonde. Op bijna iedere klinker in die buurt liggen nu herinneringen aan Marcel, aan hem en mij.

Ik vind de wereld een stuk minder mooi, zo zonder hem. En alsof de wereld nog eens extra wil benadrukken hoe waar dat is, kreeg ik vandaag te horen dat mijn contract bij nader inzien toch niet verlengd wordt en ik per december waarschijnlijk op straat sta. Ik ging naar mijn werk in de hoop daar wat rust en structuur te vinden, een beetje normaliteit in deze rare, verwarde uren, maar ik kwam een paar uur later thuis met het gevoel dat alle poten onder mijn stoel waren weggezaagd en iemand me een duizelingwekkend harde klap had verkocht. In uren van nood leer je je vrienden kennen, is het gezegde, en hoe bitter waar die oude volkswijsheid is, ondervind ik nu ik me voor troost en bescherming naar mijn omgeving wend. Daar waar ik het verwachtte te vinden werd het me door sommigen op schokkende wijze onthouden, en komt de steun uit hele andere en vaak onverwachte hoek.

En toch vind ik ook troost. Troost in de foto van Mars, die me lachend aankijkt. Troost in zijn stem op mijn computer. Troost in het gekwetter van de vogels dat onophoudelijk doorgaat. In de maaltijd die JZ voor me kookte, omdat ik nauwelijks eet en slaap. In de schuine mop die JC van een tachtigjarige had gehoord en die ze me vertelde om me aan het lachen te krijgen.

Maar de meeste kracht put ik uit de hand op mijn hart, die ik gisteren voelde, toen ik me op het bed had opgekruld en naar de lucht lag te kijken. Ik fluisterde �Mars�, en de druk nam even toe, als in een antwoord. Zo bleef ik heel stil liggen, met het gevoel van zijn hand op mijn hart en de warmte die daarvan afstraalde. Ik weet dat hij even hier was. Daarom wil ik steeds maar liever alleen zijn, hoe graag ik ook door iemand vertroeteld en gerustgesteld wil worden. Zodat hij naar binnen kan, telkens wanneer hij dat wil.

 

 

 

 

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*