Terittorium

DigiGigi

Ik herken hem aan zijn manier van fietsen. Door zijn bruine jasje en zijn rugzak weet ik zeker dat hij het is. Ik zou de achterkant van zijn hoofd en lijf overal herkennen. Ik heb hem veel te vaak van die kant gezien. Hij weet niet dat ik hier zit en hem voorbij zie gaan. In zijn tas zit vast een dik filosofisch boek. Ik vraag me af of hij nog steeds over emoties leest.
Mijn eerste impuls is om op te staan en achter hem aan te rennen. Het eerste dat ik voel is blijdschap. Belachelijke, veel te grote blijdschap. Natuurlijk blijf ik zitten in de grote fauteuil voor het raam. Aan decorumverlies doe ik alleen midden in de nacht wanneer ik lichtelijk beneveld van het caf� naar huis fiets. Dan durf ik de confrontatie met nare, verontrustende emoties als boosheid en verdriet w�l aan te gaan. Dan durf ik hem te bellen of te sms-en. Maar nooit ben ik moedig genoeg om naar zijn huis te fietsen en hem echt te confronteren.
Ik nip van mijn muntthee en dwing mezelf om mijn aandacht bij het gesprek met de theatermaker te houden. Het was zijn idee om hier af te spreken. Ik wilde niet kinderachtig zijn. Hij woont hier dan wel maar dat maakt het nog niet zijn territorium. Al voelt het wel zo.
Ik ken hem niet in de herfst en winter. Ik weet niet welke kleren hij dan draagt. Ik heb geen idee welke kleur zijn sjaal en handschoenen zijn. Ik weet niet hoe warm hij zijn kamer stookt. En ik weet niet of hij ‘s ochtends bibberend van de kou naar de thermosstaat rent en dan weer knus onder de dekens gaat liggen om te wachten tot het behaaglijk is.
Ik meet de mannen die ik zien. Hun lengte. Hun ogen. Hun glimlach. Ik kijk naar hoe hun broeken om hun dijen spannen en gluur naar hun kruis. Ik zie veel leuke mannen. En zij mij. Het zou zo eenvoudig zijn.
Met hoeveel vrouwen zou hij sinds mij het bed hebben gedeeld? Tien. Twintig. Misschien wel meer. Vast meer. Ik denk dat hij van niemand zo blij wordt als van mij. Niet dat het er toe doet. Het is meer dat ik niet geloof dat het mogelijk is om nog blijer te worden dan wij waren. Ik denk dat het bijna niet kan, dat het een godswonder is als je nog meer kunt voelen, nog dichter bij elkaar kunt komen. En dat is wat me kwelt.
De blijdschap. Dat waanzinnige, verrukkelijke, schaterende blij zijn. Waar niets en niemand er meer toe doet en hij en ik het universum zijn. Ik heb er drie in mijn leven gekend. Drie mannen waarmee ik d�t deelde. Mannen die me voortdurend aanraakten, streelden en kussen. Die ik voortdurend aan moest raken, strelen en kussen. Gewoon, omdat het niet anders kon, niet anders was en niet anders moest.
Het schopt je uit je evenwicht. Het bedreigt alles wat bekend, vertrouwd en veilig is. Al die blijdschap maakt argwanend. Het kan niet waar zijn. Het kan niet echt zijn. En als het wel waar is, dan is er vast niet mee te leven. Anders kende je ze toch wel, die innig gelukkige, blije mensen die door het leven dansen? Zoveel voelen is zwaar, heftig en oneindig dramatisch. En het heet liefde.
Ik geloof dat het echt is. Ik weet dat het echt is. En ik ben er doodsbang voor. Zodra ik het vind, wil ik maken dat ik weg kom. Ik wil het kapot voor het mij kapot maakt. En toch weet ik zeker dat het kan. Dat er mee te leven is. Want iets dat – of je nu wilt of niet – zo intens veel blijdschap opwekt, kan niet slecht voor je zijn. Dat kan gewoon niet!
Ik ben niet boos omdat hij er niets mee kon of wilde. Teleurgesteld, ja, dat wel. En gekwetst omdat ik het wel wilde. Ik weet niet of ik echt had gekund. Maar ik wilde het wel proberen, het echt proberen en het onder ogen zien. Dat moest ik ook wel. Dat kan niet anders meer na de dood van Mars.
Het is zijn ontkenning waar ik niet mee kan leven. Dat hij beweert dat het niets betekent dat hij zo blij van mij werd, dat maakte me woest. En nu nog steeds een beetje verdrietig. Om hem. En om mij.

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*