De muze en de slangenkuil

DigiGigi

Ik denk dat hij aan het sterven is. Het is een vreemde, pijnlijk adembenemende gedachte. Hoe is dat voor hem? Hoe is het om te weten dat je niet meer mee mag doen? Hoe is het om in een ziekenhuisbed te liggen met een tegenstribbelend, woedend lijf? Hoe is het om terug te kijken op de vijftig jaar van je bestaan, zoekend naar de zin, de rede en de logica? Wat doe je met die laatste koudgeworden hapjes aardse tijd als niets nog een verschil maakt?

Een van zijn allereerste schilderijen hangt tegenover me aan de muur. Het is een autobiografisch werk en vertegenwoordigt de zoektocht naar zijn schaduwwereld. Toen al was hij de donkere, bijna demonische held die zo graag een wijze, witte magi�r wilde zijn maar keer op keer voor de verlokkingen van de duisternis bezweek. Ik heb nooit kunnen besluiten of ik het een mooi schilderij vind of juist niet maar het verveelt nooit. Het wacht aan mijn muur tot ik het aan zijn zonen kan geven.
Hun moeder en ik schateren het uit aan de telefoon. �Dat gebaar, Gieg, waarmee hij zijn hand uitstak en om een Gin-tonic vroeg, kun je het je voorstellen?� Ik kan het zien. De hand die zich theatraal over de railing van het ziekenhuisbed uitstrekt. De te witte, te klamme vingers met de zegelring krommen zich rondom een denkbeeldig glas. Een onzichtbare, sardonische lach houdt zich samen met zijn kinderlijke pret onder zijn lippen schuil. O ja, ik kan het zien en het doet me krimpen van afschuw en schateren van plezier tegelijk. Hij manipuleert ons tot zijn laatste snik en niemand van ons, geen van zijn vrouwen, geen van zijn kinderen, geen van zijn vrienden, niemand zal ooit weten waar de grenzen tussen toneelspel en werkelijkheid lagen.
We zijn niet meer dan figuranten in het enige kunstwerk waarin hij werkelijk ge�nteresseerd is en waaraan hij zijn hele leven al werkt. De stapels, veelal onafgemaakte doeken en vermiste, vermeende meesterwerken zijn niet meer dan illustraties bij de schepping van de mythe rondom de grote, begenadigde en miskende schilder en zijn dramatische levensloop. Stuk voor stuk heeft hij ons gevoerd met belangwekkende details over zijn jeugd, liefdes en werk. Zelfs al bij zijn leven vullen we elkaar aan en vormen zo het wandelende museum van zijn bestaan.
�Ga je er naar toe?� We zitten in het nachtcaf� en kijken elkaar ernstig aan. Het is een moeilijk gesprek. �Ik weet het niet.� Ik ben de tel kwijt hoe vaak ik dat het afgelopen uur heb gezegd. Maar ik weet het dan ook werkelijk niet. Ik herinner me de woorden in de e-mail die ik een paar dagen voor zijn opname kreeg. �Je bent me lief�, schreef hij. Een paar onschuldige woordjes die een stuitende mengeling van angst, walging en weemoedig, ziek verlangen oproepen. Ik slik de brok in mijn keel weg met een grote teug uit mijn glas en pin mijn ogen starend vast op een schilderij aan de muur om mijn zelfbeheersing terug te vinden.
Ik wilde dat Mars hier was en het allemaal simpel zou maken. Mars zou hem eerder eigenhandig vermoorden dan me weer in de buurt van die slangenkuil te laten komen. Hij had een prachtige manier van naar de wereld en de mensen daarin kijken. Eens betrapte hij me op gepieker (�dan verdwijnen die lieve lachrimpeltjes, schatje� ) over de ellende met de kunstenaar en �mijn gelukkige vlucht in zijn eigen reddende armen�, zoals hij het noemde en greep me speels bij mijn haren. �Trek je kleren uit, ik ga dat idiote schuldgevoel van jou onder handen nemen�, zei hij bloedserieus. �Wij vechten alles in bed uit. Jouw, mijn en onze problemen. Ik wil er ook best met je over praten maar het strijdtoneel is hier. Jij moet veel meer uit je hoofd en in je lijf en gevoel.� Om er schaterend aan toe te voegen wat een mazzel het was dat hij zo bloedgeil van mijn tranen werd.
Hij kijkt me vragend aan. �Wat ga je doen?� Ik haal nog maar een keer mijn schouders op. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Hoe ik het uit moet leggen. Het maakt me een beetje boos dat iedereen het er steeds maar over heeft dat ik later spijt krijg als ik nu niets doe. �Het is je laatste kans om iets uit te praten, het goed te maken.� Ik heb niets goed te maken. Ik wil niets goed maken. Het is zoals een oude vriend en eveneens kunstenaar eerder die avond zei: �Het is de verwachting dat de dingen in het leven altijd maar goed moeten komen, waardoor we lijden. Het leven is helemaal niet zo bedoeld. Het loopt altijd fataal af.�
Natuurlijk heb ik ooit van hem gehouden. Of indertijd in ieder geval geloofd dat ik dat deed. Ik weet alleen niet of die vergane liefde betekent, dat ik hem nu, aan het eind van zijn tijd, nog iets verschuldigd ben. En wat dat dan is.

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*