Ik. Ben. Hier.

DigiGigi

Godsverering. Ik heb er nooit mee uit de voeten gekund. Ik ben opgegroeid in een dorp waar op zondag de was niet buiten werd gehangen en vriendinnetjes niet mee mochten naar het zwembad. Waar kerkoudsten zich met verkeringen bemoeiden. En waar dominees op zaterdagavond post hielden voor de plaatselijke disco om hun afgedwaalde schaapjes in de kraag te vatten en de volgende ochtend ten overstaan van de bijeengekomen gemeente te berispen. Godsdienst kwam me voor als een benepen machtsmiddel waar ik niets goeds van te verwachten had. Tot ik afgelopen weekend Maastricht aandeed.

Onderweg naar het theaterdrieluik ‘Mirakels’ in het Derlon theater – nu eens puur voor mijn plezier en niet in hoedanigheid van recensent – loop ik over het Onze Lieve Vrouweplein. De onverhoedse aanblik van de met kaarsen verlichte kapel omlijst door de vroege avondduisternis, raakt me. Hoe kon ik vergeten dat dit hier was? Ik wil naar binnen, moet naar binnen maar niet nu. Ik loop door.
Terwijl ik de brug beklim wiens lage treden tot nederige stappen dwingen, bedenk ik dat mijn weekje vakantie dat op mijn geliefde Terschelling begon, het thema religie draagt. Daar heb ik tot dusver weinig over nagedacht. Ik heb religie a la de Van Dale altijd als een synoniem voor het belijden van godsdienst beschouwd. Daar heb ik niets mee. Ik wandel over de Maas en vraag me af of die definitie wel klopt. Kun je religie wel een op een vertalen naar godsdienst – of is er toch meer mee aan de hand?

Ik knipoog denkbeeldig naar mijn held Jung en bedank hem voor zijn gedachtegoed over synchroniciteit, wanneer een heuse geestelijke het theatercafe binnen komt wandelen. Ik zie in een oogopslag dat het geen acteur is maar een echte, en dat verwondert me. Waar zit hem dat in? Hij gaat tegenover me aan de leestafel zitten en haalt een kek mobieltje tevoorschijn waarop hij bedreven tekstberichtjes toetst. Ik zou hem willen vragen of hij hier als theaterliefhebber is, of dat hij komt kijken of er wel respectvol met god wordt omgesprongen. Toch stel ik hem die vraag niet, als hij na afloop aan mijn tafeltje stil blijft staan, en gaat zitten als we in gesprek raken.
Hulpbisschop Everard de Jong (Bisdom Roermond) maakt indruk. Het komt niet door zijn gewaad of functie, waarvan ik niet eens weet wat die inhoudt. Het is ook niet zijn vriendelijkheid, interesse of gulle lach. Daar achter zit iets. Iets waar ik de vinger niet op kan leggen en dat ik tot dusver eigenlijk alleen bij heel oude mensen met scherpe kraaienpootjes en diepe lachrimpels heb gezien. In de ogen van sommige van mijn vrienden zie ik soms iets dat daar naar zweemt. Bij de hulpbisschop is het er constant, en ik weet dat mijn gebruikelijke, vrije omschrijving ‘onderweg naar grijs, wijs en mild’ de lading bij lange na niet dekt.
We praten over de voorstelling en raken het onderwerp godsdienst alleen, als we onze respectievelijke belevingen van het genotene delen. Die is verrassend anders. Ik verschiet als ik door zijn woorden ontdek, dat ik de onderliggende boodschap van theatermaakster Lieke Benders voor een deel heb gemist. Ik mag hier dan voor mijn lol zijn, ik heb wel degelijk als de criticus in de zaal gezeten. Terwijl ik ‘mijn’ theaterjournalisten altijd op het hart druk met open geest en onbevooroordeeld gemoed voorstellingen in te gaan, heb ik gekeken door een met weerstand bevlekte bril.
Mijn aversie tegen godsdienst is me met de paplepel ingegoten. Ik kom uit een familie waar we als kleuters flauwe zinnetjes als ‘amen, gooi de pispot door de ramen’ leerden, tot groot vermaak van de volwassenen, die hoopten dat we dat eens na afloop van het gebed op de christelijke kleuterschool – de enige kleuterschool in de buurt – zouden roepen. En waar de kreet van mijn zusje tegen de leidster: ‘Maar mijn vader is helemaal niet in de hemel, die is gewoon op zijn werk’, nog steeds als anekdote op feestjes wordt verteld. En nu zitten mijn aversie en hunkerende ik tegenover de hulpbisschop van Roermond, en weet ik dat ik geen van mijn vragen kan stellen tot ik mijn onbevangenheid, of minstens mijn neutraliteit, hervind.
De volgende dag keer ik terug naar de basiliek. Voor de ingang blijf ik een tijdje rusteloos tussen een grote groep Duitse toeristen staan. Ik rook een sigaret. En nog een. Ik schroom naar binnen te gaan voor ik mijn gedachten op orde heb. Waarom ben ik hier? Hoor ik hier wel? Mag ik hier als ongelovige wel naar binnen? Huichel ik niet? Wat denk ik hier te vinden? Ik vertel mezelf smoesjes. Het aanzwellende koor van tranen achter mijn buik zingt omdat ik de kerkelijke begrafenis van Mars uit principe niet heb bijgewoond. Of omdat ik slecht heb geslapen, veel indrukken heb opgedaan en nu gewoon emotioneel moe ben.
Ik laat het kaarsengeld door de gleuf vallen en geef een flinke fooi. Blozend sla ik mijn eerste kruis. Ik steek de kaars aan. Zoek er met bevende hand een plekje voor. Iedereen staart naar me, en ik steek de mouw van mijn jas bijna in de fik. Naar Maria dorst ik niet te kijken. Ik lees het gebed aan de muur maar kan er niets mee. Ik ben toch niet gekomen voor troost of bescherming? Het geschuifel van anderen die achter mij een rij vormen, hindert me. Het lijkt hier de supermarkt wel zo. Ik wil rust. Alleen zijn. Me niet zo verloren voelen. Wat doe ik hier toch? Iemand kucht nadrukkelijk achter me. Verschrikt loop ik de kapel uit, sluit opnieuw aan bij een rij toeristen en dan sta ik in de kerk.
De kerkgeur van oud en heilig is net zo onmiskenbaar als lijkenlucht. Het oer omsluit me en ik voel me vreemd thuis. Ik wandel door de enorme ruimte en het nadrukkelijke getik van mijn hakken op de tegels geeft me zelfvertrouwen. Hier. Ben. Ik. Van de biechtstoel krijg ik onplezierige rillingen. Daar deugt iets niet. Wat verderop stuit ik op een ander, lieflijker beeld van Maria. Ik schuif op een bank in de buurt. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en tuur haar voorzichtig in het gelaat. Zo komt ze tot leven. Ze glimlacht. Mijn ontroering druppelt stil over mijn wangen als het Ave Maria weerklinkt.
Als ik buiten mijn mobieltje weer aanzet, zie ik dat ik bijna anderhalf uur in de kerkbank heb gezeten. Mijn vingers verlangen naar mijn laptop. Dit overvolle hoofd moet opgeruimd. Op de echo van mijn gedachten wandel ik terug naar het hotel met Maria in mijn tas. Natuurlijk ben ik religieus. Religie is niet synoniem voor godsdienst. Religie is zoiets als psychologie, een intern fenomeen, een mechanisme dat ons stuurt. Ik moet opzoeken wat Jung daar over heeft geschreven. Mijn huis, mijn gewoontes, mijn denken, mijn schrijven, mijn vriendschappen, mijn dromen: vol met symbolen en rituelen die ik zo vanzelfsprekend, zo natuurlijk vind dat ik me nooit heb afgevraagd wat de herkomst, wat de betekenis eigenlijk is. En de liefde. O, de liefde. Ik belijd de liefde als een religie. Meer Maastricht kan ik niet aan en ik vlucht halsoverkop naar Amsterdam. Thuis zet ik de zilverkleurige beker met een afbeelding van Maria op de schouw voor de spiegel, en steek de kaars aan. Weer doorwaak ik een groot deel van de nacht. Ver voor het ochtendgloren zit ik al met mijn computer op schoot. Urenlang zoek ik vergeefs naar een definitie van religie waarin ik me herken.
De zon breekt door. Een plotselinge lichtval trekt mijn aandacht. Mijn spiegel tekent langzaam een boograam op de muur tegenover me. Het begint met de contouren. Zonlicht kleurt het met stralend goud steeds verder in. Dan verdubbelt de schaduw van de enkele, lange kaars voor de spiegel zich tot twee kandelaars. Gebiologeerd staar ik naar de wonderlijke projectie. Achter de kaarsen schemert nu een lichtgrijze, nauwelijks waarneembare schaduw die voorzichtig duidelijker wordt. Ik tuur ernaar zoals ik me in de wolken verlies. Ik zie de vorm van een mens, dan die van een vrouw. Even hoop ik dat dit het moment is waarop Maria zich losmaakt van mijn Maastrichtse relikwie en zich in volle glorie in mijn kerkraam zal openbaren. Maar nee, de vrouw splitst zich op tot een vrouw en een man. Ze omhelzen elkaar. De zon schijnt nog steeds maar het raam begint al te verdwijnen – van links naar rechts alsof een luik wordt gesloten. Pas als ik naar de nu weer lege muur kijk, bedenk ik dat ik het met mijn mobiele telefoon had kunnen filmen. Pruttelend over de gemiste kans, haal ik nog een kom koffie. Ik klik de zoveelste link op Google aan. En vind, eindelijk, Friedrich Schleiermacher: “Religie is de honger van de ziel voor het onmogelijke, het onbereikbare, het onvoorstelbare …”

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*