De goudkist van Evereverland

DigiGigi

“Alsof je een kist goud vindt, maar doorloopt omdat je nu eenmaal niet op zoek was naar een lekker appeltje voor de dorst”, verbaast de bevriende toneelschrijver zich aan de telefoon wanneer ik hem vertel dat de documentairemaker een streep onder onze prille affaire heeft gezet. Eerlijk gezegd weet ik niet of ik de redenen die hij daarvoor heeft aangegeven, wel goed vertaal en priorteer. Hij twijfelt of dit tussen ons is wat hij wil, en als het dat is of hij het nu wel wil. Het is in ieder geval helemaal niet waarnaar hij op zoek was, toen hij mij aanschreef op een datingsite. Bovendien is hij tot de slotsom gekomen dat het belang dat ieder van ons eraan hecht, te sterk verschilt.

In zijn laatste e-mail houdt hij de deur open. Wat ook gewoon een zoethoudertje kan zijn, een doekje voor het bloeden, zoals beste vriend opperde en die me waarschuwde me vooral niet hoopvol aan dergelijke – hoe lief en gemeend misschien ook – toch wel loze praat vast te klampen. Dat ben ik inderdaad niet van plan. Gesterkt door het gevleugelde motto “het is wat het is” van The Lunatics, mijn nieuw gevonden theaterfamilie, heb ik besloten alleen uit te gaan van de feiten, van wat ik echt zeker weet, en van wat hij letterlijk heeft geschreven.
We willen hetzelfde. Daar ben ik van overtuigd. We zijn beide opzoek naar een vreugdevol versmelten, een diepe en liefdevolle, spiritueel-erotisch band waarin we ons zo verbinden dat daaruit volkomen vrijheid ontstaat. Maar de manier hoe we dat denken te bereiken, verschilt enorm. Hij ziet die vrijheid als een uitgangspunt, een basisvoorwaarde waaraan het contact vanaf de eerste dag had moeten voldoen. Terwijl het voor mij zonneklaar is, dat die vrijheid alleen vanuit een verbintenis kan ontstaan. Dat een dergelijke vormeloosheid waar tijd en plaats geen invloed meer op uitoefenen, alleen bereikt wordt door je samen vrij te vechten uit de oorspronkelijke vorm die het kennismakingsproces (en vooral de noodzaak elkaar te leren vertrouwen) nu eenmaal oplegt. Vrijheid is geen op zichzelf staand fenomeen, maar een zijnsstaat die op iets of iemand veroverd moet worden.
Ik heb al een aantal jaren zo’n relatie met mijn woestaantrekkelijke minnaar. Wij wisten ook waar we naar toe wilden in ons samenzijn, maar begrepen gelukkig wel alle twee dat daarvoor eerst een fundament moest worden gelegd, waar ook het nodige puinruimen aan te pas zou komen. Ik heb het in het begin vaak moeilijk gehad met de non-conformistische denkwijze van Woest, die ik soms nauwelijks kon volgen en me af en toe tot wanhoop dreef. Hij had op zijn beurt het nodige te stellen met mijn pen en ‘mooie woorden’, zoals hij mijn overpeinzingen in brieven en gepubliceerde zielsbiechten noemt, en die de neiging hebben de dingen veel groter en grootser maken dan waarvan de dagelijkse praktijk van mijn leven getuigt. Woest en ik hebben de nodige robbertjes uitgeknokt. Maar zonder er echt een moment voor aan te kunnen geven, zijn we na verloop van tijd wel op de plek aangekomen die ons voor ogen stond. Ik noem het ons Neverneverland, al zou Evereverland misschien een betere term zijn. We delen een liefde, waarover geen enkele twijfel meer bestaat, die we ieder tot het eind van ons leven zullen koesteren en waarin we volkomen vrij en claimloos tegenover elkaar staan. Of we elkaar iedere week of eens per jaar ontmoeten, maakt allang niet meer uit.
De tussenliggende tijd verdwijnt simpelweg, als hij zijn sleutel in het slot steekt en ik wat later zijn grote stappen op de trap en de overloop hoor. Hij slaakt altijd hetzelfde, intens vergenoegde en tevreden lachkreetje als hij binnenstapt en me aankijkt, zijn tas neerzet en in bijna dezelfde beweging zijn laarzen en sokken uittrekt. We zijn zo thuis bij elkaar geraakt, dat gesprekken van toen en nu in elkaar over vloeien, er geen begin of einde meer aan ons samenzijn of vrijpartijen zit. We wonen in een geeloranje bubbel van licht, warmte, liefde en blijdschap, en al vanaf het ogenblik dat ik voor het eerst foto’s van de documentairemaker zag, weet ik zeker dat hij en ik ook zo’n liefde kunnen delen.
Ik begrijp niet waarom hij het zo snel opgeeft. Hoe kun je na een date of zes, zeven, een paar vrijpartijen en een stapeltje e-mails al beoordelen of iets wel of geen kans van slagen heeft? Het valt me een beetje van hem tegen, ook omdat we het zo gloeiend eens waren dat er in onze huidige moderne maatschappij veel te gemakkelijk langs potentiële partners wordt gezapt. We staan vrijwel hetzelfde in het leven, al is de oorsprong daarvan misschien een andere. Twee freelancers, twee creatievelingen, twee intelligente en bevlogen mensen die fijn kunnen bomen, lachen en vrijen. Het is gek hoe we tot dusver ieder misverstand in alle redelijkheid en met de nodige humor hebben kunnen bespreken en aan elkaar uitleggen, en hoe hij evengoed aan diezelfde misverstanden niet alleen een negatieve sfeertoon koppelt maar ze ook bundelt tot ze een onoverkomelijke hindernis vormen. Ikzelf moet echt in mijn geheugen graven om ze op te diepen, en het enige gevoel dat ik eraan over heb gehouden is een stukje onzekerheid over hoe ik het beste op hem kan reageren. Maar wat ik voor hem voel, en hoe bijzonder, mooi, boeiend en interessant ik hem vind, is de overheersende emotiekleur. De dingen in zijn gedrag die ik (nog?) lastig, moeilijk of vervelend vind, zijn daaraan ondergeschikt – en in mijn ogen ook simpelweg niet groot of storend genoeg om daaruit de conclusie te trekken dat we geen toekomst hebben. Voor mij is hij eerder een van de zeldzame mannen die heel erg bij mij past, en met wie ik op allerlei vlakken ongekende diepten kan ontdekken en met wie ik voortdurend grenzen kan blijven verleggen.
De laatste avond dat hij hier was, zat ik naar hem te kijken en te luisteren, geintrigeerd hoe zijn gezicht er telkens anders uitzag, hoe hij van heel bekend en vertrouwd weer in een vreemde transformeerde, dan weer in iemand die ik ken en liefheb. Terwijl ik tussen ons een afstand bespeurde, wist ik ineens ook dat ik bij hem helemaal thuis kan zijn. Dat hij alleen maar een gebaar met zijn hand hoefde te maken, en ik daar, ter plekke, al mijn verdedigingsschilden zou laten vallen en me zonder voorbehoud aan hem zou overgeven – kome wat er van komen zou. Het moment herinnerde me heel erg aan een ervaring die ik met Ice Tease had, ruim tien jaar geleden, en waarin dezelfde verlegenheid, dezelfde schroom en eenzelfde soort liefde de kop opstaken.

“Zachtjes mijmer ik weg. Kijk naar zijn in leer gehulde benen onder het bureau. Zijn blote voeten. En voel een allesoverheersend verlangen om daar te liggen. Aan zijn voeten. Wat in mijn hart gebeurt, wil mijn lichaam vertalen. Maar mijn hoofd protesteert. Een tijdje gaat voorbij. Voorzichtig ga ik liggen, op de vloer naast hem. Niet aan zijn voeten. Mijn stem probeert het lichter te maken. Zegt quasi gekscherend “maak je me wakker als ik in slaap val”. Eigenlijk wil ik zeggen; “mag ik asjeblief aan je voeten komen liggen?”  In mijn hoofd heb ik het gezegd. Het moet want hij heeft het gehoord. Hij schuift zijn stoel langzaam naar achteren en ik zie de ruimte om onder het bureau te kruipen ontstaan. “Ik haal even een kussen voor je”, zegt hij. Als hij terugkomt, ben ik onder het bureau gaan liggen. Zielstevreden en met een ongekende rust in mijn lijf. Ik voel zijn ontroering meer dan ik het zie. Zijn zachte woorden zijn echt. Zoals hij echt is. Hij begint weer te typen. Mijn ogen sluiten als vanzelf. Niet slapend, niet wakend, alleen maar vol van hem. In mijn hoofd begint een koor te zingen. Niet overheersend, ergens op de achtergrond. Warm, vol, lijkt het alsof ik een heiligdom ben binnengetreden. Een ode aan hem. Een ode aan een prachtig mens. Een ode van vier woordjes….ik heb je lief.” (Tussen kettingen en overgave, 4 april 1999).

Het is pijnlijk te bedenken, dat terwijl ik die innerlijke strijd voerde, duizend-en-een manieren de revue liet passeren om die eerste, voor mij ineens erg grote, stap te zetten, en er telkens voor terugschrok, de documentairemaker misschien bedacht dat ik het toch niet voor hem was. Het zijn zinloze gedachten bovendien.
Hij heeft een besluit genomen, en noch het lange, goede gesprek dat we na aanleiding van zijn laatste e-mail voerden, noch mijn brief daarna heeft hem daarop doen terugkomen. Of het nu is omdat ik eigenlijk veel te vol, rond en dik ben om aan zijn ideaalplaatje van een vrouw te beantwoorden, of het nou is omdat hij me wel interessant en aantrekkelijk maar vooral vermoeiend, lastig en ingewikkeld vindt, of dat hij de potentie van ons niet in zijn agenda en leven vindt passen, of een combinatie van al die dingen, doet er eigenlijk niet toe. Ik kan hem niet dwingen op mijn manier te kijken naar wat wij delen, hem niet dwingen zich te verheugen in de veelheid van wat er allemaal wel tussen ons is en klopt, in plaats van zich te concentreren op wat er (nog) ontbreekt en wat nog niet soepel verloopt.
“Het is wat het is”, zingt het al dagen als een mantra door mijn hoofd, terwijl het verdriet steeds langzamer ademt, en samen met deze liefde afdaalt naar een rustige sluimerplek om te transformeren. Ik heb mijn kracht al weer hervonden, en ben voorzichtig vrede aan het sluiten met het zo vertrouwde niks en nooit meer. Er rest me niets. Niets dan hem loslaten, en verder gaan.

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*