
Och, wat een sentimenteele stemming had mij gisteravond bevangen! In zulk een bui van weemoed greep ik naar mijn oude, vertrouwde exemplaar van “Een zomerzotheid” – dat lieve boekje van onze geliefde Cissy van Marxveldt uit het jaar des Heeren negentienhonderd zeven en twintig.
Ach, wat herinner ik mij nog levendig dien eersten keer dat ik dit kostelijke werkje onder oogen kreeg! Ik was toen een wicht van een jaar of twaalf, en vertoefde op het kampeerterrein met mijn lieve grootmoeder en grootvader. Hoe ik dat boek heb verslonden – ja, werkelijk verslonden! – alsof het de heerlijkste lekkernij was. En in de jaren die daarop volgden heb ik het telkens weder ter hand genomen, steeds met diezelfde verrukking.
Nog altoos vind ik het een allerliefst boekje, al moet ik bekennen dat er natuurlijkerwijs zaken in staan die tot den geest van dien tijd behoorden, doch tegenwoordig niet meer geoorloofd zijn. Maar och, dat prachtige taalgebruik van toen! Wat een bekoorlijkheid ligt er in die wijze van spreken! Van zulk een soort zou ik wenschen dat onze staatsmannen, onderwijzers en sprekers voor de radio-omroep er zich nog steeds van bedienden.
Het werkje is inmiddels van zulk een respectabelen ouderdom, dat men het kosteloos mag lezen of als electronisch boek mag verkrijgen bij de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandsche Letteren. Is dat niet verrukkelijk?
Opmerking: Voor dit artikel heb ik Claude.ai gevraagd om mijn tekst om te zetten naar een tekst in oud Nederlands. Het is vast niet 100% correct maar het is maar een gebbetje.