Hoewel de trilogie ‘Zeeuwse nachten’ al per aflevering wat flauwer en meer cabaretesk werd, viel daarin nog wel veel te lachen. Maar het eerste deel van het nieuwe drieluik ‘Kruistochten’ van het Volksoperahuis, deze keer over religie, is om te huilen zo slecht. De voorstelling staat bol van de clichés en platvloerse grappen, en de theatertekst is vooral een herhaling van zetten. Wist Kees Scholten met zijn grote zang- en acteertalent de ‘Zeeuwse Nachten’ nog bij elkaar te houden, zelfs hij kan ‘De martelaar’ niet redden.

Het blijft een raadsel waarom Jef Hofmeister zijn pen aan Rogier Schippers heeft overgedragen, die sinds Zeeuwse Nachten deel uit is gaan maken van de vaste kern van het Volksoperahuis. Schippers teksten zijn variaties op telkens dezelfde thema’s, die hij nauwelijks uitdiept en waarin vooral de wij versus zij-gedachte binnen de multiculturele maatschappij centraal staat. Hij blijft steken in vooroordelen en makkelijke aannames, en schrijft zijn teksten eerder rond een paar vooraf bedachte grappen en grollen dan dat hij een tekst creëert waarin de humor zijn eigen weg vindt. Juist dat laatste is de kracht van Hofmeister.

In zijn stukken smolten vaak verschillende bestaande verhalen en werkelijke gebeurtenissen samen met de actualiteit en Hofmeisters originele kijk op de wereld. Dat leverde meeslepend, grappig én ontroerend muziektheater op waardoor de toeschouwer na afloop naar huis ging met zowel stof tot nadenken als het gevoel iets heel bijzonders te hebben meegemaakt. En schreef Hofmeister zijn teksten altijd met steracteur Scholten in het vizier, in de stukken van Schippers wordt diens speelruimte kleiner en kleiner, zijn rollen steeds grotesker en meer eendimensionaal. Gelijktijdig winnen Schippers typetjes – met altijd dezelfde vervelende stemmetjes – iedere volgende voorstelling meer aan terrein.

In deze kickboxtragedie voert hij de banaliteit over de top, en zo kukelt het Volksoperahuis jammerlijk naar een niveau dat nauwelijks nog boven dat van amateurtoneel uitkomt. Dit eerste deel draait om de islam, in de volgende delen komen het christendom en het jodendom aan bod. Het is tragedie noch komedie; op zijn best is dit stuk een te ver in het belachelijke doorgetrokken parodie te noemen. In basis is het concept niet eens slecht; Samir, een islamiet die is voorbestemd voor het martelaarschap, laat het geweld links liggen en probeert zijn lotsbestemming via de sport te bereiken. Maar wat Samir drijft, hoe hij tot zijn keuze komt, zijn overwinningen en teleurstellingen; niets daarvan mag Scholten werkelijk over het voetlicht brengen – hij krijgt zelfs amper de ruimte om aantekeningen in de marges te schrijven. Nee, de handeling gaat vooral over de geschiedenis van Samirs ouders, en met name zijn moeder, gespeeld door Schippers die ook de rollen van engel, duivel, energieverkoper en trainer op zich neemt en daarmee veel te veel de schijnwerpers op zichzelf richt. En dus wordt het publiek vergast op een schreeuwende, vuilbekkende engel, een moslimmoeder die het luidruchtig met de stroomverkoper doet, een rondvliegende dildo, schuine opmerkingen bij een handjevol slappe frikadellen en meer van dat soort fraais.

En wat is het pijnlijk om dat grote talent van Scholten te zien worstelen er nog iets van te maken. Als de vader van Samir is hij zowel letterlijk als figuurlijk een roepende in de woestijn. Samen met pianist Charles Janko zorgt hij voor de weinige momenten in de voorstelling die wél de moeite waard zijn. Het blijft bijzonder om Scholtens rolwisselingen te zien. Er verandert iets in zijn mimiek, zijn houding, in zijn wezen bijna en dan staat er een nieuw en altijd geloofwaardig karakter op het toneel. En ook zijn stem en het enorme bereik daarvan, falen nooit te overtuigen en toch ook nu, te ontroeren. Het blijft de vraag waarom Scholten zichzelf de rol van tweede viool, bijna die van aangever voor Schippers laat toebedelen. Een acteur en zanger van zijn kaliber verdient een dragende hoofdrol met mooie, goed geschreven dialogen, diepgang, een topregisseur en solide tegenspelers, en zou zich niet moeten verlagen tot het slappe geouwehoer dat hij nu in de mond gelegd krijgt.

En wat is er Hofmeister gebeurd? Hij heeft zijn accordeon verruild voor de gitaar, en zit samen met de andere muzikanten, Janko op de piano en Roy Bakker op percussie, aan de zijkant. Buiten de muziek is zijn aandeel in ‘De martelaar’ minimaal, zijn aanstekelijke enthousiasme en zichtbare speelplezier zijn verdwenen. Waar hij met de accordeon in de handen altijd met een brede grijns en van het toneel spattende energie op het podium stond, zit hij nu wat zoetjes voor zich uit te tokkelen. Janko binnenhalen voor de composities en piano is zonder meer een gouden greep, al kwam ook zijn werk veel beter tot zijn recht in bijvoorbeeld ‘Dr Fischer & de 7e Hemel’. Die productie uit 2005, tot dusver alleen te zien geweest in het Bellevue Lunchtheater in Amsterdam, leek indertijd de voorzichtige opmaat naar de grote zaal voor het Volksoperahuis en was in al zijn eenvoud een pareltje waarin verhaal, muziek en enscenering helemaal in evenwicht waren.

Hoe anders is dat in ‘De martelaar’, dat aan alle kanten rammelt en waarin niemand meer echt tot zijn recht komt. De drie seizoenen lach-of-ik-schiet-humor in het drieluik ‘Zeeuwse Nachten’ was een aardige afwisseling in het repertoire maar het is wel te hopen dat dit soort getheatraliseerde stand-upcomedy van aan elkaar gebakken oneliners en open deuren niet het handelsmerk van het gezelschap gaat worden. Want wat is het jammer om in een zaal te zitten waar nog zelden een lach weerklinkt, en niemand meer meedeint en klapt met de intelligente levensliederen en kippenvel opwekkende Nederlandstalige ballades waarvan alleen Hofmeister en Scholten het recept hebben.

Foto: Ben Bouwmeester

– See more at: http://digigigi.nl/recensie/zelfs-scholten-kan-de-martelaar-niet-redden#sthash.55InsMRa.dpuf