Dacht ik na de breuk met de eerste man die zich als een grote liefde kwalificeerde nog naïef, dat mijn leven voorbij was omdat er maar één zielsgeliefde rondloopt, ondertussen weet ik beter. Want vier jaar later ontmoette en verloor ik mijn tweede grootse liefde. „Als het twee keer kan, waarom dan niet veel vaker”, bedacht ik in mijn rouwperiode en begon aan een overmoedige zoektocht naar de essentie van de liefde.

Plato droeg in Symposion de term tweelingziel aan. Hij veronderstelde dat de mens oorspronkelijk uit twee helften bestond die gescheiden werden bij het staartbotje, en zo gedoemd tot een levenslange speurtocht naar het ontbrekende deel. „En wanneer een van hen zijn andere helft zal ontmoeten, de werkelijke helft van zichzelf, is het paar verloren in een verbazing van liefde en vriendschap en intimiteit en men zal niet meer uit elkaars zicht verdwijnen, zelfs niet voor een moment.” Hoewel zijn woorden de majestueuze gevoelens die zielsgeliefden voor elkaar hebben prachtig beschrijft, impliceren ze ook dat er maar één mens rondhuppelt, die de ander kan vervolmaken. Ik ontmoette het afgelopen decennium meerdere mannen die aan deze omschrijving voldoen. Maar op hen is de term tweelingziel noch het begrip zielsverwant – die beiden eerder op de platonische liefde dan op de erotische liefde betrekking hebben – van toepassing. Dus besloot ik ze zielseigenen – deel van de eigen ziel – te noemen. Met de zielseigenen delen we collectieve herinneringen aan belevenissen en gebeurtenissen uit parallel lopende of zelfs identieke levens en liefdes. Misschien komen we voort uit dezelfde energetische bron. Misschien vormt iedere ziel tijdens zijn reïncarnaties voortdurend afsplitsingen van zichzelf naar mate hij verder reist en groeit op zijn pad, zoals de Braziliaanse auteur Paulo Coelho in Brida beweert – en daarmee en passant een heel eigen interpretatie van de evolutietheorie geeft. Maar waar ze hun oorsprong ook vinden; mijn ervaringen met zielseigenen zijn zo overtuigend dat ik aan hun bestaan niet meer twijfel.

Onlosmakelijke band
Een tijd lang heb ik zielseigenen en de mensen die me een spiegel voorhouden over dezelfde kam geschoren. Tot ik ontdekte dat iedereen het vermogen heeft een ander te spiegelen, en omgekeerd. De controle daarover berust bij het onbewuste dat probeert zich te verwerkelijken. Afhankelijk van de situatie en levensvraag, zoekt het psychische mechanisme simpelweg een geschikte kandidaat uit beschikbare groep mensen rond ons. Dergelijke reflectie kan óók een schok van herkenning te weeg brengen, en leiden tot hechte verbondenheid of zelfs tot de vergaande afhankelijkheid, die we zo graag liefde noemen. Toch benadert het in de verste verte niet de intieme en onlosmakelijke band tussen zielseigenen. Het heeft me vaak verbaasd en gekwetst hoe glazig gesprekspartners begonnen te kijken als ik ze over mijn belevenissen in de liefde vertelde. Zij herkenden weinig tot niets in mijn beschrijvingen, vonden die meestal overdreven romantisch en onrealistisch. Ik op mijn beurt kon niets met hun vrij zakelijke benadering van relaties, die meer op economische, sociale en maatschappelijke afwegingen leek te leunen dan op diepe, waarachtige gevoelens. In de periode dat ik met de architect samen was, mijn eerste min of meer bewuste ervaring met een zielseigene, waarschuwde mijn omgeving me voortdurend dat hij niet bij me paste. Hij was veel te oud voor mij. Hij had me niets te bieden want hij woonde in de Amsterdamse Bijlmer, had op dat moment geen echte baan, beunde bij in nogal spraakmakende clubs in de undergroundscène en was verwikkeld in een ellendige scheiding. Ze hadden het over de man die me met een constante en onbeschrijflijk vreugdevolle ontroering vervulde, alleen maar omdat hij bestond. En al paste hij op papier niet bij mij, vanaf het moment dat ik in zijn ogen keek, telde maar één ding: hij hoorde bij mij. Hij had dat altijd gedaan en zou dat altijd blijven doen, ongeacht wat dan ook.

Déjà senti
Een ontmoeting met een zielseigene begint altijd met een déjà senti; een heel zeker voelweten dat ik de ander ken, hoewel hij nergens in dit leven is te plaatsen. Aan Mars, mijn overleden lief, heb ik eens wanhopig geschreven: „Hoe vertel ik iemand dat ik je kende vanaf de eerste kus die we wisselden? Niet omdat ik alle details en feitjes van je leven wist. Die heb ik nooit geweten. We waren onszelf en we waren elkaar. Ik kende na een paar kussen je boosheid, je pijn, je angsten, je liefde, je zorgen, je verlegenheid, je grilligheid, je nukkigheid, je dromen. En je was allesbehalve alleen maar lief. Maar ik had je lief. En jij had het mij. Ik geloof niet in onvoorwaardelijke liefde. Toch is dat het woord dat bij me opkomt als ik aan ons denk. We konden ruzie maken en heel erg boos op elkaar zijn maar dat veranderde niets tussen ons. Jij mocht woest zijn. Ik mocht woest zijn. Jij mocht janken. Ik mocht janken. Je was niet bang voor mijn demonen en ik niet voor de jouwe. En dus bevochten we die van elkaar. Voor elkaar. Dat mis ik het meest van alles. Hoe gek ik ook deed, je bleef me lief vinden. Het maakte niet uit of we samen waren; je was er. Ik was er. Nu nog word ik het meest verdrietig als ik terugdenk aan het gesprek dat we daarover hadden. Hoe je letterlijk hebt gezegd dat alleen de dood dat zou kunnen veranderen. Ik wist dat het waar was. Niet dat het zo afschuwelijk snel waar zou worden.” Die passage bevat in al zijn onbeholpen verdriet, de kern van waar het bij zielseigenen omdraait. De energetische connectie tussen de twee manifesteert zich acuut, is onverklaarbaar krachtig en overschrijdt de grenzen van de aardse realiteit. Maar al is een dergelijke verbintenis dan in de prozaïsche hemel gesmeed, het is allesbehalve een vrijkaartje voor het Hof van Eden.

Niet verliefd
Zielseigenen die elkaar ontmoeten, slaan verliefdheid over. De band tussen de twee is vaak vele reïncarnaties oud en zo sterk, dat er geen biologische reactie nodig is ze samen te brengen. Ze worden overvallen door onbenoembare, grote liefde, die wonderwel ook alle onhebbelijkheden, tekortkomingen en onwenselijke gedragingen insluit. De ander beantwoordt dikwijls in geen enkel opzicht aan het, van kind af aan ontwikkelde en door ervaringen verder ingekleurde ideaalbeeld, maar dat doet bij een wederzijdse herkenning nauwelijks ter zake. Hun energetische wezens zijn astraal verbonden en zo op elkaar afgestemd, dat ze (meestal onbewust) voortdurend intappen op de emotionele belevingswereld van de ander. Ze kunnen diens stemmingen en gevoelens niet alleen moeiteloos aanvoelen, maar nemen die vaak ook over waarna ze, ten goede of ten kwade, versterkt weer uitgezonden worden. Zielseigenen ‘weten’ om de haverklap dingen van en over elkaar, die ze niet feitelijk hebben vernomen maar oppikken met hun zend- en ontvangstsysteem. Deze krachtige non-verbale zielstaal is versmolten met de erotische aantrekkingskracht tussen zielseigenen. Het ene intensiveert het andere tot een voortdurende verdieping van de toch al immense en indrukwekkende gevoelens. Veel zielseigenen hebben dan ook het idee halverwege een al lang bestaande relatie in te stappen, en gedragen zich daar meestal naar. Ze herkennen zoveel in elkaar, dat ze het traject van kennismaken en aftasten grotendeels overslaan. En vergeten in hun euforische samenzijn dat zij – veel meer nog dan een ‘gewoon’ liefdeskoppel – elkaar moeten leren kennen in dit lichaam en leven. Zonder die noodzakelijke basis is er nauwelijks hoop dat ze succesvol leren navigeren tussen wat de ‘alledaagse’ werkelijkheid van hen vraagt en alles wat de astrale verbintenis te bieden heeft.

Adventure game
Als ik terugkijk op het eerste deel van mijn queeste, dan herinnert die me aan Ultima Online, een adventure roleplaying game dat ik eind jaren ’90 graag speelde. Zoals mijn hekserige avatar toen in donkere kerkers met enge monsters vocht, het soms won en vaak verloor, zo knok ik nu geregeld een robbertje met mijn angst voor het onbekende. En net als toen, heb ik alleen houvast aan mijn eigen bevindingen, en moet ik vertrouwen op mijn voortdurend groeiende kracht en zelflerend vermogen om stapje voor stapje dit pad verder te bewandelen. Want hoewel ik soms vergelijkbare ervaringen van anderen op het internet tegenkom, nu en dan zelfs iemand tref wiens lotgevallen overeenkomen met de mijne, ken ik nog geen enkele liefdesgeschiedenis tussen zielseigenen met een klassiek happy end. Toch verontrust me dat niet. Nu het besef is doorgedrongen, dat er niet maar één mens werkelijk bij mij hoort, maar dat er een onbepaald aantal zielseigenen zijn, is de vrees dat ik mijn kans op geluk voorgoed verspeel als ik fouten maak, verdwenen. Bovendien weet ik dat de ontzaglijke verwondering over de grootse gevoelens die zielseigenen voor elkaar ervaren, een geweldige motivatie kan zijn het samen wél te rooien. En dat een langdurige en harmonieuze relatie dus ook, zo niet juist voor hen is weggelegd. Ik ben gaan begrijpen dat het menselijk vermogen tot intens liefhebben alleen wordt ingekaderd door hetgeen waarin we onszelf niet toestaan te geloven. Maar het is precies zoals mijn wijze, grijze en milde architect me tien jaar geleden al liefdevol voorhield: alles wat je voelt, is echt…

– See more at: http://digigigi.nl/essay/zielseigenen-geen-vrijkaartje-voor-het-hof-van-eden#sthash.jOR2Kdmy.dpuf