Tussen kettingen en overgave

DigiGigi

Het geluid van een ketting achter me. Een aantal uren geleden veroorzaakte dat nog een onverwacht gevoel van paniek. In een bodyharnas van touw stond ik in het midden van een kamer. Het daglicht van de wat nevelige zaterdag stroomde onherroepelijk en wreed de kamer in en zijn stem die me zachtjes maar met onmiskenbaar overwicht van achter mij sommeerde mijn handen achter mijn rug te vouwen. Rustig en snel werden ze bijeengebonden, een ketting aan de band om mijn hals bevestigd. Toen hij me achter zich aantrok, ging het mis.

Het gerinkel van de ketting, het koude gevoel van ijzer op mijn huid, het touw strak om mijn lijf gebonden en mijn handen nutteloos in het felle daglicht. Ineens was daar een waterval van verschillende emoties. Een enorme stap terug in het verleden. Klein, onbeschermd, onveilig en alleen. Maar daarnaast de verwarring van het juist wel veilig zijn. Iemand zo compleet vertrouwen. En niet alleen. Doodeng, onbekend terrein dat eindige in een huilbui.

Zijn stem zacht en kalmerend, zijn handen die trefzeker de bondage verwijderden, omhuld in zijn beschermende lichaamswarmte. En toen dat ene woordje. Een explosie van woede bracht het te weeg. Kort, heel kort en heel hevig. Terug in mezelf, onmiddellijk vragend waarom. En het snelle antwoord in mijn hoofd; angst. Even de stilte in mij zoeken. Even niemand dan ik. Even niet denken. Alleen op de bank, lekker niet op de grond voor de bank. In gedachten steek ik mijn tong uit. Heel even maar. Zijn begrip hangt om me heen als een warme deken. Vraagt of ik iets wil drinken. Geeft de ruimte die ik vraag.

Het duurt niet lang. Ik hoor zijn vingers op het keyboard in de kamer ernaast. Vind mezelf even later terug op zijn schoot achter de computer. Een alles overheersende rust in mezelf als we doorpraten wat er gebeurde. Hij gaat mail lezen. Ik kruip weer op de bank, opgekruld onder een deken. Even een pauze, zegt hij. Maar de kamer lijkt verlaten en op eens is alles wat ik wil naast hem zitten. Voorzichtig zink ik op de grond naast hem. Ineens lijkt al die weerstand van daarvoor onbegrijpelijk en onnatuurlijk. Zijn ogen in de mijne. Zoveel tederheid, zoveel weten. Ik voel me klein en sterk op hetzelfde moment. Veilig en beschermd.

Zachtjes mijmer ik weg. Kijk naar zijn in leer gehulde benen onder het bureau. Zijn blote voeten. En voel een allesoverheersend verlangen om daar te liggen. Aan zijn voeten. Wat in mijn hart gebeurt wil mijn lichaam vertalen. Maar mijn hoofd protesteert. Een tijdje gaat voorbij. En de drie eenheden sluiten een compromis. Voorzichtig ga ik liggen, op de vloer naast hem. Niet aan zijn voeten. Mijn stem probeert het lichter te maken. Zegt quasi gekscherend ‘maak je me wakker als ik in slaap val’. Eigenlijk wil ik zeggen; ‘mag ik asjeblief aan je voeten komen liggen?’

In mijn hoofd heb ik het gezegd. Het moet want hij heeft het gehoord. Hij schuift zijn stoel langzaam naar achteren en ik zie de ruimte om onder het bureau te kruipen ontstaan. ‘Ik haal even een kussen voor je,’ zegt hij. Als hij terugkomt ben ik onder het bureau gaan liggen. Zielstevreden en met een ongekende rust in mijn lijf. Ik voel zijn ontroering meer dan ik het zie. Zijn zachte woorden zijn echt. Zoals hij echt is. Hij begint weer te typen. Mijn ogen sluiten als vanzelf. Niet slapend, niet wakend, alleen maar vol van hem. In mijn hoofd begint een koor te zingen. Niet overheersend, ergens op de achtergrond. Warm, vol, lijkt het alsof ik een heiligdom ben binnengetreden. Een ode aan hem. Een ode aan een prachtig mens. Een ode van vier woordjes….ik heb je lief.


[wpedon id=”2310″ align=”left”]

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*