Droomstof

DigiGigi

De auto parkeert voor het grote, houten hek. Het portier zwaait open. In de verte tekent zijn silhouet zich onverwacht scherp af tegen het nevelige weiland. Hij draagt stevige werkschoenen en een spijkerbroek. De blauwgrijze trui valt soepel om zijn brede schouders, de blonde haren krullen speels over de hoog opgetrokken col. Zijn lange benen hollen verheugd de plattelandsweg af, zijn bijna twee meter scheert lenig de kale bomen voorbij. Ik wacht op hem. Een sliertje ochtendkou prikkelt mijn neus zoals zijn wollen bovenlijf het straks mijn wang zal doen.

Nacht na nacht rent die zo vertrouwde vreemdeling opgetogen naar me toe. Ochtend na ochtend word ik wakker als zijn gezicht nauwelijks een kus van het mijne is verwijderd. Net als mijn door ontroering gepijnigde vingertoppen zich teder naar de lichte sproetjes rond zijn neus bewegen, verdwijnt hij in de dag. Laat mij zijn geur – en het lang vergeten, maar nu weer zacht kermende verlangen.
Deze herhalende droom blijft zich aandienen, en put me uit. Waar ik anders gretig terugval op het verzameld werk van Carl Gustav Jung, ervaar ik nu weerstand om zijn wijsheid op mezelf te beproeven. “Een dergelijke droom is meestal een poging om een bepaald effect in de levenshouding van de dromer te compenseren; of hij kan voortkomen uit een traumatisch moment, dat een bepaald vooroordeel nagelaten heeft. Soms kan hij ook op een belangrijke, nog in de toekomst liggende gebeurtenis anticiperen.” [1]

Zou een terugkerende droom niet gewoon zoiets kunnen zijn als een bekraste dvd, die per abuis steeds hetzelfde fragment laat zien? Ergelijk, maar niet eng of verontrustend? Hoewel, als ik die redenering doortrek, dan heb ik een schram op mijn ziel waardoor mijn onbewuste optilt slaat, en onzinnige boodschappen naar het bewuste communiceert. De gekte die ik daarachter vermoed, staat me nog minder aan. Dus buig ik andermaal voor Jungs logica en vraag me af wat het Zelf en het Ego aan het bekokstoven zijn, dat deze man zich na twee decennia zo levensecht in mijn dromen manifesteert.
Overdag blijft hij ongrijpbaar. Het duurt een dikke week voor zijn naam me weer te binnen schiet. Hoe we elkaar ontmoetten of in welke sociale kring ik hem moet zoeken, blijft vaag. Ik tik de ene na de andere naam in de zoekvelden van Google, Hyves, Linkedin, Facebook en Plaxo. Al snel heb ik, die zo koppig de deur naar het verleden gesloten hield, een flinke verzameling oude klasgenoten en jeugdliefdes bijeen gesprokkeld. Maar een connectie met hem ontdek ik niet.
Mijn herinneringen zijn niet meer dan flarden van beelden, geuren en emoties, en bieden weinig aanknopingspunten. Zijn vader die boos was omdat we een deuk in het dashboard hadden gevreeën. De benepen geur van een groot voorhuis met zware, ouderwetse meubelen. Hadden zijn ouders een loonbedrijf, boerderij of manege? Verhuisde hij nou naar Alphen a/d Rijn vanwege een baan, een studie of een andere vrouw? En wat heb ik hem als achttienjarige aangedaan, dat ik ook nu nog het beschaamde, binnenmondse kreuntje wil negeren?
In een oud poeziebundeltje dat ik op de middelbare school voor het vak Nederlands schreef, vind ik een gedicht dat ik Erik getiteld heb. Het rept van een vraag die ik niet serieus heb genomen, en mijn wroeging dat ik “hem mijn onverbiddelijke, onvergeeflijke nee heb gegeven”. Heeft hij me een grote toekomstvraag gesteld, en heb ik hem uitgelachen? Dat zal toch zeker niet waar zijn? Dat kan bijna niet waar zijn! Hoe rommelig dat deel van mijn geheugen ook is; ik weet zeker dat ik dol op deze zachtaardige man was. Rond hem proef ik tranen, een dramatisch afscheid, te veel pijn.
De droom weet van geen wijken. Hij wekt me ondertussen meermalen per nacht, en grift de toenemende vermoeidheid meedogenloos in mijn gezicht. Ik kan niet anders meer dan dromen, denken, herinneren. Ik zoek.

[1] Carl Gustav Jung, De mens en zijn symbolen, Lemniscaat Publishers, 1992, ISBN 9060698304

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*