Stofwolkjes

DigiGigi

Mijn tong onderwerpt iedere witte druif aan een onderzoek. De onverzettelijkheid van het velletje laat zich niet breken wanneer de vrucht tegen mijn verhemelte wordt gedrukt. Pas als mijn tanden voorzichtig een gaatje bijten stroomt de zoetheid van de vrucht mijn mond binnen. Ik lig in mijn blootje en op mijn buik op het bed, de mand druiven in de vensterbank en met de nazomerzon heet op mijn rug. Tegenover mij zitten twee Indiaanse parkieten in de boom kirrend tegen elkaar te babbelen. Hun ogen lijken naar de druiven te staren en aan het geknik van hun kopjes en de bewegingen van hun rode snavels wil ik een voorzichtige toenaderingpoging aflezen.

Bij iedere druif die ik in mijn mond steek, ruik ik een vleugje vanille dat van mijn pols lijkt te komen maar waarvan ik de herkomst niet weet. Kristallen vangen het zonlicht waardoor de kleuren van de regenboog in het ritme van de zachte bries over mijn huid streelt. De capriolen van de parkieten, die nu en dan omgekeerd aan een tak hangen en luid naar elkaar schreeuwen maken me aan het lachen. Het groen van de bomen, dat iedere dag een beetje aan levenskracht inboet, maakt me bijna aan het huilen. Twee wespen spelen tikkertje in sierlijke bewegingen, die ergens in het midden tussen ballet en boksen lijken te liggen. Het zijn de eerste wespen die ik opmerk. Een zachte, weemoedige loomheid heeft zich in mijn botten genesteld. Mijn pen raakt het papier in trage halen, die geen recht doet aan de stortvloed van mijn gedachten.

Ik verlang naar zijn handen op mijn huid. Naar het gevoel van zijn lange vingers die door mijn haren woelen terwijl ik aan zijn voeten zit en we rode wijn drinken. Zijn stem klinkt rustig en bedachtzaam, alsof hij ieder woord eerst op zijn tong proeft voor hij het aan de wereld geeft. Zijn kussen en strelingen maken mijn gedachten vloeibaar zodat ik alleen nog met mijn lijf kan praten en ik begrijp niet meer, waarom ik eerder meende dat hij ongelijk had en ik gelijk. Zijn mening dat alles tijd nodig heeft om te groeien heb ik het onderspit tegen mijn ongeduld laten delven, en niet voor het eerst in mijn leven betreur ik mijn haast. Ik weet niet waarom een dag soms een jaar lijkt in mijn wereld. Ik ben geschrokken van de manier waarop ik bij mezelf wegraak en hoe slecht ik in staat ben om mijn gevoelens te begrijpen.

Ik houd van de kleur van dit licht. Het is net alsof er een waas van afscheid en vergankelijkheid voor de zon ligt. Ik ben even bang om verlaten te worden als om me te binden. Even bang om mijn vrijheid te verliezen als om alleen te zijn. Even bang voor nieuw en onbekend als voor veiligheid en sleur. En ik geloof alleen maar in wat me op dat moment goed uitkomt. Ik ben behoorlijk ontevreden over mezelf. Kleine vliegjes zijn gouden stofwolkjes in de zon. Misschien is de taal van de natuur uiteindelijk wel de enige die ik begrijp.

Ik heb hem aangehaald, weer verstoten en weer aangehaald. En hij betaalt me met gelijke munt terug. Niet uit boosaardigheid of wraakzucht. Het is meer een regel van het universum en de prijzen die je betaalt voor hetgeen je voor jezelf hebt gewenst en prompt gekregen. Ik wilde hem wel, toen weer niet, en nu meer dan daarvoor. Op de een of andere manier houdt hij daaronder stand door bij zichzelf te blijven. En door in een rustig, gelijkmatig tempo verder te wandelen. Ik niet. Ik ren, sta stil, val uitgeput neer, ren weer verder en sla mezelf ondertussen voor mijn hoofd vanwege mijn stommiteiten.

Mijn hals is gevoelig waar hij me beet tot mijn spieren trilden van extase. Mijn huid herinnert zich iedere aanraking en mijn ziel is doordrongen van intimiteit en speelt met fotografische precisie minutieuze beelden en sensaties door mijn hoofd. Op zijn schoot en in zijn armen. Mijn hand in de zijne. De smaak van zijn mond en zijn huid. Het glas dat aangereikt wordt, de duisternis omdat hij het maanlicht binnen wil laten.

Ik ben vol van hem. En hij, hij gaat naar een andere vrouw.

 

 

 

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*